De ijstijden


Je kunt zeggen dat de voornaamste contouren in ons gebied aangebracht zijn door de werking van een drietal achtereenvolgende ijstijdperioden. Na de Eridanos-tijd bedekte tijdens de Elster-ijstijd (Elsterien) het Scandinavische landijs waarschijnlijk voor de eerste maal grote delen van Noord-Nederland en dat duizenden jaren achtereen. Eigenaardig is dat allerlei kenmerken die met een grootschalige ijsbedekking gepaard gaan uit de Elster-ijstijd niet bekend zijn. Zo vinden we vrijwel nergens typische afzettingen die met een landijsbedekking in verband te brengen zijn, zoals keileemlagen. Ook ontbreken stuwwallen e.d..
Wat wel uit deze periode op heel veel plaatsen in de bodem is achtergebleven zijn zeer dikke afzettingen van smeltwaterzand en dito klei. Beide vormen de Formatie van Peelo. Het zand uit deze formatie is welhaast bij iedereen bekend. Het is het bekende zandbakzand, dat in droge toestand glinstert vanwege de talrijke kleine schubjes mica die erin zitten. Ook wordt dit zand gebruikt als ophoogzand, om wegen aan te leggen, om bouwputten van een werkvloer te voorzien e.d.
Dit zogenoemde Peelozand is op het Ballooërveld bij Rolde in een aantal zandverstuivingen goed ontsloten.
Bepaald berucht is de klei uit de Elster-ijstijd. We kennen de afzetting vooral onder de naam potklei. Met name in het gebied Peize, Lieveren, Roden, Leek, Roderwolde en Foxwolde ligt deze ijstijdklei ondiep of zelfs aan de oppervlakte. De afzetting heeft zijn slechte naam te danken aan een paar ongunstige eigenschappen. Het is in de eerste plaats een zeer zware klei, die vrijwel niet te bewerken is. Akkerbouw is er niet goed op mogelijk, zeker vroeger niet. Ook is de waterdoorlaatbaarheid vrijwel nihil. Het landschap in bovengenoemd gebied ligt daarom voornamelijk in gras. Elk najaar en winter is de bodem er kletsnat door stagnerend regenwater.
Dezelfde potklei komt ook voor in Oost-Drenthe in de omgeving van Anderen en Gasteren. Vooral bij Gasteren kom de potklei op sommige plaatsen onder aan de helling van de Zuides aan de oppervlakte. Het gebied is te herkennen doordat het in gras ligt en nogal nauw begreppeld is. Het duidelijke hoogteverloop van de Zuidesch naar het beekdal van het Gastersediep, de geringe breedte van het beekdal wordt ook veroorzaakt door de aanwezigheid van potklei in de ondergrond. Deze biedt veel weerstand aan de uitslijting door water.
Heel fraai is de aanwezigheid van Potklei in de directe ondergrond te zien als we van Loon naar Balloo rijden. U kruist dan het beekdal van het Taarlosediep. Het beekdal is ter plaatse bijzonder smal. Het snelle oplopen van de Noordesch van Balloo geeft dit gebied veel relief en is daarom landschappelijk van bijzondere waarde. Overigens is in de naaste omgeving bij het Smalbroekerloopje vroeger potklei gedolven om er stenen van te bakken.
Potklei en Peelozand zijn afgezet in een reeks smalle noord-zuid verlopende geulen. Dit geulsysteem loopt vanaf het midden van de Noordzee door tot ver in Polen. De geulopvullingen lijken op begraven rivierbeddingen, maar zijn dat niet.
De geulen zijn tot zeer diep in de ondergrond uitgeschuurd - in ons gebied tot meer dan 100 meter - bij Heerenveen zelfs tot meer dan 300 meter. De grootste geuldiepte ligt onder de Noordzeeboden: meer dan 500 meter! Daarom kunnen het ook geen oude rivierbeddingen zijn. Ze zijn daarvoor veel te diep.
De geulen zijn onderin opgevuld met grof zand. Verder naar boven is het een afwisseling van zand en klei, waarbij deze laatste dikten kan bereiken van tientallen meters. Bij de aanleg van een diepriool in Roden kon worden vastgesteld dat de potklei een prachtige gelaagdheid liet zien. Daaruit bleek dat de opvulling daar waarschijnlijk vele tientallen, zo niet honderden jaren heeft geduurd.
Het ontstaan van dit uitgebreide geulsysteem is nog steeds onderwerp van discussie. Wel is men het erover eens dat de vorming en de opvulling het gevolg is van de werking van landijs en smeltwater. Maar hoe precies....?
De Elster-ijstijd werd gevolgd door een kortdurende warme periode, waarna het opnieuw kouder werd.