De Weichsel-ijstijd


De warme periode van het Eemien vormde een betrekkelijk kortdurend intermezzo (ca. 20.000 jaar) voor de tot dusver laatste ijstijd: het Weichselien oftewel de Weichsel-ijstijd.
Opmerkelijk is dat het landijs in deze periode ons land niet heeft bereikt. Het bleef net iets ten noorden van Hamburg steken. Ons gebied bevond zich in het voorland van het landijs. Toch zijn de gevolgen groot geweest.
Verliep de eerste helft van het Weichselien nog redelijk ongemerkt en wisselde het klimaat van dat van een toendra tot die van berken-, dennen- en zelfs eikenbossen ( er leefden en woonden in die periode allerlei ijstijddieren, zoals de mammoet en de wolharige neushoorn in ons land - zelfs de Neanderthaler woonde hier bij tijd en wijle), de tweede helft, zo vanaf 54.000 jaar voor heden, verliep heel wat ongunstiger.
Vooral de periode van 30.000 tot 14.000 jaar geleden was bar en boos. Het wordt in de geologie het Pleniglaciaal genoemd. In die tijd was de gemiddelde julitemperatuur nog geen 5 graden Celsius. Een groot deel van het jaar vroor het dat het kraakte, met als gevolg dat de bodem meters diep permanent was bevroren.
Door de intense koude was er van vegetatie vrijwel geen sprake. De bodem lag open voor weer en wind. Allerlei verschijnselen die hiermee gepaard gingen zijn nog overal in ons landschap terug te vinden, per slot van rekening ligt het einde van deze ijstijd nog maar zo'n 12.000 jaar achter ons. Dat is geologisch gezien alsof het gisteren was.
Op veel plaatsen is de keileemlaag uit de Saale-ijstijd door verwering, uitwaaiing en uitspoeling op de zwaarste bestanddelen na verdwenen. Het fijne stof ging op de wind en werd een eind zuidwaarts afgezet als de ons welbekende löss.

De zandcomponent uit het keileem is een ander verhaal. Dat verwaaide over het landschap en/of verspoelde richting beekdalen. In de winter vroren deze kilometers brede stroomdalen volkomen droog, waarbij het aanwezige zand over het omringende landschap verstoof. Dit zand komt overal in Noord-Nederland in een wisselend dikke laag voor. Men noemt het dekzand omdat het alle eerder afgezette bodemlagen afdekt. Alleen op de hoogste delen ontbreekt het.
De prehistorische mens heeft in deze dekzandlagen zijn eerste schuchtere akkerbouwactiviteiten verricht, omdat deze grondsoort gemakkelijk te bewerken was en op heel veel plaatsen aanwezig was.