Het gebied


Drentsche A of Drentse Aa?

Het is verwarrend, maar er zijn verschillende schrijfwijzen in gebruik; Drentse Aa, Drentsche Aa of Drentsche A. Binnen het Nationaal Park Drentsche Aa hanteren we de schrijfwijze volgens de topografische atlas, dus met -sch- in de naam (bijvoorbeeld Andersche Diep).
De officiële website van het 'Nationaal beek- en esdorpenlandschap Drentsche Aa' heeft de oude volledige naam met 'sch' en dubbel-Aa gehandhaafd. We werken gezamenlijk toe naar een uniforme schrijfwijze: het Nationaal beek- en esdorpenlandschap 'Drentsche Aa' met -sch en dubbele Aa. Op de website doen we dus 'officieel'.

Gastersche Diep

Waar vindt u de Drentsche Aa?

'De Drentsche Aa' bestaat eigenlijk niet... Nou ja, een klein stukje in Groningen heet zo. Met 'de Drentsche Aa' wordt het bekensysteem bedoeld. Alle beken dragen een eigen naam. Ze zijn genoemd naar het dichtstbijzijnde dorp of veld. In Drenthe wordt een beek nooit beek genoemd. In Drenthe heten de beken loopje, diepje, stroom, laak of Aa.

Dankzij 21 meter hoogteverschil wil het water wel stromen. De waterscheiding aan de oostkant is de Hondsrug; aan de west- en zuidkant ligt die bij Hooghalen en Schoonloo. Het hele stroomgebied is zo'n 30.000 hectare groot.

Ten zuiden van Oudemolen ontspringen drie hoofdtakken, het Anreeperdiep, Amerdiep en Andersche Diep. De meest westelijke beek (Anreeperdiep) geldt als oorspronkelijke hoofdstroom. Samen met het Amerdiep gaat deze als Deurzerdiep, Looner diep en Taarlosche Diep stroomafwaarts. De oostelijke hoofdtak, het Andersche Diep, gaat als Rolderdiep en Gastersche Diep verder en vormt de belangrijkste bijdrage aan de waterafvoer. Even 'onder' Oudemolen komen de twee stromen samen tot het Oudemolensche Diep. Verderop wordt dat nog Schipborgsche Diep en Westerdiep, waarna de beek een stukje Drentsche Aa mag heten.

Ruggen en dalen; vormen aan het aardoppervlak
Het hele bekensystem van de Drentsche Aa kreeg zijn vorm door geologische invloeden in de bodem en door veranderingen aan het aardoppervlak.

Het begon in de derde IJstijd (Saalien), toen er hogere ruggen ontstonden met laagten ertussen. In Noord-Drenthe zijn die hoge delen de Hondsrug, de Rug van Tynaarloo, de Rug van Rolde en de Rug van Zeijen. Ze lopen ongeveer NNW-ZZO. De dorpen zijn daarop later (vanaf de 8ste eeuw) als het ware 'netjes achter elkaar' gerangschikt. In de laagten liggen dalen, waar de beken in stromen. De dalen zijn breed en vlak, omdat het van oorsprong stroomgeulen (erosiedalen) uit de ijstijd zijn. Die raakten nadien opgevuld met veen en/of dekzanden, waarna de latere stroompjes zich er hun smalle beekloop in uitsleten. Omdat het verval plaatselijk vrij gering was, ging de beek in de breedte slingeren (meanderen).

Sommige Drentsche Aa-beken hielden zich niet aan hun eigen laagte en kozen een andere route. Bij Assen, Loon, Tynaarloo en Glimmen heb je z.g. 'verlaten beekdalen'. Bij Oudemolen gaat de Drentsche Aa ('t Oudemolenschediep, dus) door de Rug van Tynaarloo. Het is te herkennen aan een smaller dal en hogere dalwanden. Bij Glimmen, Deurze, Loon en Tynaarloo is zoiets in het verleden ook gebeurd. Ook andere invloeden (vorming van ondergrondse zoutkoepels, inwaaiend stuifzand) veroorzaakten veranderingen in beekbeddingen.

Maar, wat er ook gebeurde met de beekloop of meanders, de Drentsche Aa voert zijn water nog immer noordwaarts, richting zee. In Groningen wordt het Drentse water afgeleverd aan het Rietdiep, die alle water naar de Waddenzee draagt.

200511011346073447