Zandverstuiving bij Zeegse


Eén van de mooiste plekjes in Drenthe is de zandverstuiving van Zeegse met daarin het Siepelveen. De bloeiende gagel in het voorjaar met de eeuwenoude bomen en jeneverbes maken dit een bijzonder landschap dat dan ook door veel toeristen jaarlijks word bezocht.

Het stuifzandlandschap de Zeegserduinen is ontstaan doordat dekzand, dat in de laatste ijstijd door de wind was afgezet, opnieuw in verstuiving kwam en stuifzandgebieden vormden. De ligging van de stuifzanden laat zich dus fysisch-geografisch verklaren, maar het ontstaan is vooral door de mens veroorzaakt. De stuifzanden in Drenthe zijn waarschijnlijk in de Late Middeleeuwen ontstaan, toen er grote schaapskuddes werden gehouden voor de textielindustrie.  Vanaf de 15de eeuw kwam de plaggenbemesting op gang, waarbij schapenmest vermengd met heideplaggen werd gebruikt om de arme drentsche akkers van de nodige bemesting te voorzien. Het ontplaggen van de hei zorgde voor een aanslag op de vegetatie en ook door transport van paard met wagen (boerenkarren en postkoetsen) is zand gaan verstuiven. Daarnaast werd op veel plekken veen gestoken waardoor het grondwaterpeil zakte en aanliggende gebieden verdroogden en de wind vat kreeg op het zand. De Zeegserduinen is een mooi voorbeeld van de stuifzandgronden die er nu nog in Drenthe zijn.

De zandverstuiving bij Zeegse is tegenwoordig grotendeels bedekt met bos en alleen bij het Siepelveen aan de noordkant is de zandverstuiving nog goed ontsloten. Het bos was er niet altijd, op foto’s van begin vorige eeuw is goed te zien hoe weinig bomen er toen nog stonden. Pas vanaf de jaren 30 van de vorige eeuw zijn de stuifzanden beplant met naaldbomen.

In de middeleeuwen liep een belangrijke route van Groningen, via Zuidlaren en Schipborg over de zandverstuiving en de hei ten oosten van Zeegse via Oudemolen naar Assen. De brede bundel karrensporen zijn nog goed zichtbaar op de hei tussen Zeegse en Oudemolen.  Deze route kwam tot stand na de ontwikkeling van Assen tot een bestuurscentrum vanaf de zestiende eeuw. Dat veranderde begin van de 19de eeuw toen het opstuivende zand de zuideresch van Zeegse bedreigde  en de doorgaande weg van Assen naar Groningen overstoven raakte. Het ‘verkeer’ wat toendertijd voornamelijk uit boerenkarren en postkoetsen bestond, moest om gaan rijden en kon niet langer rechtstreeks aan de oostkant van de Zeegser zandverstuiving van Oudemolen naar Schipborg rijden.

Om verdere bedreiging van de landbouwgronden te voorkomen werden er op de open zandvlakte houtwallen aangelegd met daarop grove dennen. Ook bij Norg heeft men op deze wijze het oprukkende zand proberen te stoppen. Deze houtwallen raakte op den duur ondergestoven en vormde langgerekte zandwallen, die nog duidelijk in het landschap terug zijn te vinden zijn.  Op deze wijze zijn de zandruggen aan de zuidkant van Zeegse ontstaan die nog goed te zien zijn langs o.a. de Schapedrift (zie kaartje).

Meer onderzoek is nodig om details van de geschiedenis van deze stuifzandbestrijding te achterhalen.

Dit artikeltje is tot stand gekomen met medewerking van Theo Spek (professor Landschapsgeschiedenis RUG), Sibert Hoekstra (Landschapsbeheer Drenthe) en geraadpleegde literatuur T. Spek, Landschapsbiografie van de Drentsche Aa en R. Van Heumen, In de sporen van het verleden.

Frank Pardoel gids NP Drentsche Aa