Bomen en struiken 'in' de Drentsche Aa


Het Drentsche Aa gebied is rijk aan natuur en cultuurhistorie. In het dal van de Drentsche Aa en rond de dorpen liggen nog oude bosresten, houtwallen en singels waarin tal van bijzondere planten en dieren voorkomen.

Het bos vroeger

Enkele duizenden jaren voor het begin van onze jaartelling vestigden de eerste boeren zich blijvend in Drenthe. Daarvóór zwierven er wel groepen mensen door dit gebied, maar die bleven nooit lang op één plek. De eerste landbouwers vestigden zich op droge plaatsen aan de rand van beekdalen. Het halfopen boslandschap bleef tot die tijd in stand door grote grazers als edelhert, oerrund en wisent. De eerste boeren kapten stukken bos om er akkers aan te leggen. In de beekdalen maakte zij de open ruimten groter om er hooi te winnen. Hun varkens, runderen en schapen liepen, al dan niet onder leiding van een herder, door een soort parklandschap van bos en open plekken. Door een geleidelijk intensiever gebruik van het landschap nam de oppervlakte bos vooral vanaf de Middeleeuwen snel af. In het midden van de 19de eeuw was er maar weinig oud bos meer over. Uitgestrekte heidevelden, akkers en graslanden waren ervoor in de plaats gekomen.

Beetje oud bos, veel nieuw bos

In enkele beekdalen bleven resten van oud bos bewaard. Rond de akkercomplexen, de essen, groeide nog enig oud hakhoutbos. Dit bos hield vee en wild van de akkers vandaan, terwijl de boeren de bomen regelmatig kapten voor gebruikshout. In recente tijd verdwenen vele resten van oude bossen, houtwallen en singels door ruilverkaveling, wegenaanleg en woningbouw. Pas tijdens de ontginning van de vele heidevelden in het begin van deze eeuw kwam er weer bos bij. Men plantte echter grotendeels bomen en struiken uit andere delen van de wereld, zoals Japanse lariks of Fijnspar uit Midden-Europa. Zo is ook de Krent ('Drents krentenboompje') in Drenthe verzeild geraakt en de Amerikaanse vogelkers. Al met al hadden de jonge Drentse bossen evenals de vele nieuwe beplantingen die werden aangelegd, weinig te maken met de oorspronkelijke bossen.
Soms is aan de hand van bodemvegetatie nog na te gaan wat oude bossen of bosjes zijn, of waar ze waren. Neem de Adelaarsvaren. “De meeste bossen met Adelaarsvaren hebben een lange geschiedenis achter de rug; de plant geldt als indicator voor oud bos”. Wordt zo'n bos gekapt, dan kan de adelaarsvaren nog een tijd stevig doorgaan. De Bosanemoon kent ook zo'n naijl-effect. Ze groeit in oudere loofbossen op wat rijkere en vochtige bodems, zoals bij de beekdalranden in Noord-Drenthe. Ook staat ze in houtsingels op drogere bodems en “handhaaft zich na het kappen van geboomte vaak nog lang” (Maar let op: plaatselijk groeit de Bosanemoon ook in de vochtige beekdalgraslanden, onder meer langs de Drentsche Aa).

Het Drentsche Aa gebied, rijk aan interessante soorten

Op de bodemkaarten staan gebieden aangegeven die een oude, 'ongestoorde' bosbodem hebben. Oude landkaarten geven vaak de plaats weer van oorspronkelijke bossen. Daar waar nog steeds bos groeit of oude houtwallen en singels zijn, komen karakteristieke inheemse bomen en struiken voor. Daar zitten gewone soorten voor Drenthe bij, als Zomereik, Zachte berk, Zwarte els en Jeneverbes. Maar de Drentsche Aa bezit ook nog een aantal zeldzame, even karakteristieke soorten. In dit rijtje komen de Wilde appel, Zoete kers, de Egelantier (een wilde roos), Wegedoorn en de Koraalmeidoorn voor. Opmerkelijk genoeg is de Wilde gagel in deze streek -vergeleken met de rest van Drenthe- sterk vertegenwoordigd. Net zo interessant is de uitgesproken voorkeur van de Wilde kardinaalsmuts voor “de basenrijke kwelsituaties langs de boven- en middenloop van beken, onder meer bij de Drentsche Aa”. Het Drentsche Aa-gebied heeft een rijke soortensamenstelling en is daarom zeer belangrijk voor het behoud van bepaalde kwetsbare soorten. Het betreft vooral rozen- en meidoornsoorten en de Wilde appel, waarvoor we hier een nationale verantwoordelijkheid dragen.

Nog een woord over de Koraalmeidoorn, een zeldzame type Meidoorn dat in 1997 bij een inventarisatie naar authentieke, inheemse soorten werd gevonden in de buurt van het Scheebroekenloopje. In 1983 en 1990 werd de Koraalmeidoorn door botanici nog als zelfstandige soort beschouwd, maar in 1996 is hij uit de nieuwe druk van de Heukels' Flora gewipt wegens een “te onduidelijke status”. Wij houden deze afwijkende 'variant' van de Eenstijlige meidoorn in ere als kostbaar kleinood. Bovendien: tijdens een persexcursie heeft de inventariseerder ons (ook) de Koraalmeidoorn laten zien. Hij bestaat.
(Opmerking: de citaten komen uit de 'Nederlandse Oecologische Flora' van Weeda et al, uitg.1985 en uit de 'Atlas van de Drentse Flora' door de Werkgroep Florakartering Drenthe, uitg. 1999)