Samenwerken voor schoon oppervlaktewater Drentsche Aa


Het schoonhouden van een drinkwaterbron vraagt nauwe samenwerking tussen drinkwaterbedrijf, waterschap, provincie, gemeenten, boeren, inwoners en kennisinstituten. In Drenthe werken alle partijen in verschillende projecten samen om vervuiling van de Drentsche Aa tegen te gaan.

Bronzuiver-

De Drentsche Aa voorziet onder meer inwoners van de stad Groningen en een aantal omliggende plaatsen dagelijks van schoon drinkwater. Maar het feit dat het water schoon is, is geen vanzelfsprekendheid. Het stroomgebied ligt weliswaar in een regio met veel natuur, maar gaat ook langs enkele dorpen en landbouwbedrijven. Daar komt het oppervlaktewater in aanraking met medicijnresten en bestrijdingsmiddelen van huishoudens en boerderijen. Een kwetsbare drinkwaterbron, zo werd vastgesteld in een gebiedsdossier uit 2013.

Belang van schone waterbron
Hoewel drinkwaterbedrijven de technische middelen in huis hebben om water te zuiveren, is een schone bron van groot belang. Immers: wat niet in het water komt, hoeft er ook niet worden uitgehaald. En hoe ingewikkelder en tijdrovender het zuiveringsproces is, des te hoger zijn de productiekosten en uiteindelijk de prijs van kraanwater. Bovendien zijn er Europese richtlijnen waaraan de waterkwaliteit moet voldoen.

Oppervlaktewater Drentsche Aa
Naar aanleiding van het gebiedsdossier uit 2013 stelden waterschap Hunze Aa’s, Waterbedrijf Groningen (WBG) en de provincie Drenthe het uitvoeringsprogramma ‘Oppervlaktewater Drentsche Aa’ op. Uit het programma ontstonden tien concrete projecten die zich richten op vermindering van emissie van gewasbeschermingsmiddelen in het water.

“De verantwoordelijkheid voor een schone waterbron ligt formeel bij RWS, waterschappen, waterbeheerder en provincie, maar voor het schoonhouden ben je afhankelijk van veel meer partijen”, vertelt programmamanager Erna Alting. “Het voordeel van de Drentsche Aa is dat het niet in contact staat met water van buitenaf, zoals een rivier. Als het water vervuild is, weet je dus dat de oorzaak uit de directe omgeving komt en kun je daar maatregelen nemen.”

Bereidheid om mee te doen
Bij de projecten wordt intensief samengewerkt met boeren, zoals akkerbouwers en bollentelers, die in hun bedrijfsvoering veel gebruik maken van chemische bestrijdingsmiddelen. Alting noemt enkele voorbeelden: “Negen bollentelers doen mee aan het project ‘Duurzame bollenteelt’, dat zich onder meer richt op het verminderen van bestrijdingsmiddelengebruik. Bij het project ‘Akkerranden’ zorgt een bufferstrook langs de sloot voor minder afspoeling van nutriënten en bij ‘Erfemissie’ ligt de focus op het zuiveren van afvalwater dat het erf afstroomt.”

Hoewel de meeste projecten zijn gericht op boeren, is er ook aandacht voor de rol van andere ‘vervuilers’, zoals inwoners van dorpen en steden in het stroomgebied. Op de website onzedrentscheaa.nl staan tips voor het gebruik van milieuvriendelijke bestrijdingsmiddelen in de tuin en wordt uitgelegd hoe je onkruid tussen de stoeptegels kunt voorkomen. Volgens Alting is het belangrijk om alle doelgroepen in het gebied aan te spreken. “Sommige groepen gebruiken dezelfde middelen, waardoor het lastig is om te zeggen wie voor welke vervuiling verantwoordelijk is. Als iedereen z’n steentje bijdraagt, is de bereidheid om mee te doen groter.”

Duurzame teelt
Om genoeg draagvlak te creëren onder boeren zijn verschillende voorlichtingsavonden georganiseerd. Alting: “Daarin leggen we uit hoe belangrijk duurzaam werken is in dit kwetsbare gebied. Als we teveel middelen in het oppervlaktewater blijven meten dan bestaat de kans op een verbod van een bepaald bestrijdingsmiddel of verscherping van regels zoals extra brede teeltvrije zones. Dat wil de sector natuurlijk ook niet. Ook luisteren we naar boeren om te weten waar zij behoefte aan hebben als ze meedoen met een project. Wij kunnen kennis en expertise bieden.”

Maïs eerder oogsten
Sommige projecten zijn afkomstig uit de koker van boeren zelf, zoals het project ‘Grondig Boeren met Maïs’. Jan Reinder Smeenge, veehouder en eigenaar van de Zeegster Hoeve, werd geïnspireerd door een collega die experimenteerde met maïsteelt op grasland. “Maïs wordt normaal gesproken in september geoogst, dat is relatief laat. Als je het land dan nog gaat inzaaien met gras, kan dat niet op tijd een massa vormen om nutriënten op te vangen om uit- en afspoeling naar de bodem en sloten te voorkomen. Daarom begin ik in juli met inzaaien, zodat het gras bij de maïsoogst al boven de grond staat en nutriënten opvangt.”

Onderzoek bodemkwaliteit
Inmiddels zijn negen Drentse maïsboeren zijn voorbeeld gevolgd en doet Universiteit Wageningen verder onderzoek naar de effecten op de bodemkwaliteit. “Het is belangrijk dat de uitvoering en het onderzoek plaatsvinden op de landbouwbedrijven”, benadrukt Smeenge. “Dat zegt een gemiddelde boer meer dan een onderzoek ergens op een proefveld.” Alting vult aan: “Sommige boeren moet je overtuigen met een praktijkvoorbeeld voor ze zich bij een project aansluiten. Dan is de buurman natuurlijk de beste ambassadeur.” Subsidies zorgen voor een extra stimulans.

Samenwerking en communicatie
Samenwerken en communiceren over de projecten is volgens Alting van groot belang, zowel binnen het programma als daarbuiten. Als programmamanager overlegt ze elke zes weken met de tien projectleiders over de voortgang van de projecten. “Naar het brede publiek communiceren we vooral via sociale media, websites en nieuwsbrieven. Ook overleggen we met bestuurders in het gebied, organiseren we voorlichtingsavonden, veldbijeenkomsten en kennismarkten.” Want mensen realiseren zich nog te weinig wat er schuilgaat achter een glaasje kraanwater, zo besluit Alting. “Door de vanzelfsprekendheid van schoon drinkwater houden we minder rekening met het schoonhouden van de bron.”

Bron: Drinkwaterplatform